De ongelooflijke slechtheid van het opperwezen (top)

VoxClamantis.nl

Home - Funny stories - Religion - Politics - Science - Sex - Life - Pictures - Cartoons - Links - Contact

sitemap


Ik ben zonder godsdienst opgevoed. Mijn ouders, geboren in 1892, kwamen uit niet-religieuze gezinnen. Het Betondorp, waar ik als kind woonde, telde weinig gelovigen en geen enkele kerk. (In die tijd zag je nog wel eens een muur, waarop een grote K gekalkt was, met rechts van die K in kleinere letters van boven naar beneden erk, roeg, azerne, waarmee men blijkbaar drie bijeenhorende 
gesels der mensheid wilde aangeven. Die drie dingen ontbraken in ons dorp. Er was niet eens een politiebureau.) Toen we in de derde klas van de lagere school een liedje moesten leren, waarin de godsdienst ter sprake kwam - laat ons zeggen Het angelus klept in de verte (prachtig lied) - moest de juffrouw ons uitleggen waarom grootmoeder op die drempel knielde. 

Naast ons in de Ploegstraat woonde de familie Buker. Dat waren - bij uitzondering - christenen. In hun huis maakte ik voor het eerst kennis met het bidden. Ik vroeg mijn ouders om uitleg en men verklaarde me dat deze mensen geloofden aan het bestaan van een wezen, God genaamd, tot wie je je met eventuele wensen kon wenden. Die uitleg was denk ik van mijn vader afkomstig en ironisch gekleurd. Een paar dagen later, toen Rinus Buker iets onaangenaams overkwam, ried ik hem spottend aan zich tot God te wenden met het verzoek dat onaangename - wat het was weet ik met meer - ongedaan te maken. Ik werd hierover streng berispt door mijn ouders: die Bukers geloofden dat nu eenmaal, en dat was wel raar, maar het was heel onbehoorlijk om ze daarmee te plagen.

Ik ben dat bidden - je komt het in veel godsdiensten tegen - altijd bizar blijven vinden. Christenen wenden zich voortdurend tot God en doen dan twee dingen, die ik allebei nogal abject vind: ze prijzen hem en ze vragen hem voortdurend om iets. Een Engelse schrijver vertelt ergens dat hij ik geloof een oom had die in het Book of common prayer alle passages waarin God geprezen wordt geschrapt had. Hij nam aan dat God een heer was en dus niet to his face geprezen wilde worden. 

Dat verband tussen vragen en krijgen is uiterst bedenkelijk. Laat ik dat met een klein voorbeeld verduidelijken. Ik heb een studente die van de ene oogoperatie in de andere valt. Een medestudent sprak laatst de vrees uit dat zij blind zou worden. Nu stelle men zich voor dat ik een christen ware. Ik zou dan allicht voor haar bidden. 
De God der christenen kan haar, krachtens zijn almacht, blind maken of niet. En hij laat dat, zo denken de christenen, enigszins van mijn al of niet bidden afhangen. Een mens die zo zou handelen zou voor een grote schurk worden gehouden.

Dat brengt ons op de ongelooflijke slechtheid van het opperwezen. Onder de mensen vindt de God van joden en christenen alleen zijn evenknie in figuren van het soort Idi Amin: hij wil voortdurend opgehemeld worden, en hij haalt voortdurend gruwelijke schurkenstreken uit. Hoor je de gebeden der christenen, dan moet je wel tot de conclusie komen dat hun godsdienst tot de zogenaamde “kakodemonologieën” behoort: door bidden en smeken proberen zij hun God er toe te brengen allerlei gruwelijke dingen niet te doen. 

Daarbij meten zij telkens met twee maten. Doet God iets dat hun bevalt, dan wijten zij dat aan zijn goedheid. Doet hij iets gruwelijks - er valt immers geen musje ter aarde of het is zijn uitdrukkelijke wil - dan wijten zij dat aan de ondoorgrondelijkheid van zijn raadsbesluit. Op een buitenstaander maakt dat nu eens met vet en dan weer met boter bakken een uiterst onredelijke, ja oneerlijke indruk. 
Als ik mij goed herinner vermeldt bijvoorbeeld koningin Wilhelmina in haar memoires dat prins Bernhard een keer tijdens de oorlog te ziek was om een bepaalde vliegreis te maken. Dat vliegtuig vertrok zonder hem, en stortte neer. Hier prijst Wilhelmina God, omdat hij haar schoonzoon in leven liet, want het Nederlandse volk had hem nodig om de nazi's te verslaan. De vraag dringt zich dan natuurlijk op of het niet veel eenvoudiger en vooral veel aardiger geweest was om dat vliegtuig gewoon in de lucht te houden. En: als die God zo tegen de nazi's was, waarom heeft hij ze ons dan gezonden? Waarom die hele oorlog niet afgeblazen? En: als die God der christenen blijkbaar die nazistische holocaust zo nuttig en nodig achtte, waarom prijzen de christenen die God dan? 

Zo schijnt Solzjenitsyn het feit dat hij de marxistische holocaust overleefde toe te schrijven aan God, die wilde dat hij, Solzjenitsyn, in leven bleef om van die gruwelen te getuigen. Maar als het in leven blijven van Solzjenitsyn zijn wil is, dan is het creperen van die miljoenen andere gevangenen ook zijn wil. Eerlijk is eerlijk. 

Dat het uitgerekend het IKV was - een overlegorgaan waarin verschillende christelijke kerken verenigd zijn - dat twee reusachtige demonstraties tegen atoomwapens organiseerde, moet verbazingwekkend worden genoemd. Lectuur van hun eigen Heilige Schrift zou de christenen
hebben kunnen leren dat hun God in het te vuur en te zwaard verdelgen van hele volkeren juist grote aardigheid heeft en er gaarne zijn toevlucht toe neemt. Zelfs Jezus dreigt af en toe met dood en verderf, hel en verdoemenis.

Hier moet ik een bekentenis doen. Ik heb nooit enige sympathie kunnen opbrengen voor Jezus Christus. Zo juist heb ik voor alle zekerheid het evangelie van Mattheüs nog eens gelezen - met enige moeite. De hoofdpersoon uit dat stuk munt uit door een enorme arrogantie. Hij spreekt geen vriendelijk woord, blaft iedereen af, geneest zieken niet uit menslievendheid, maar uit propagandistische overwegingen - een heel bedenkelijk trekje - en doet of hij de wijsheid in pacht heeft. Toch hoor je bijna iedereen met vrij grote sympathie over Jezus spreken. 

Hier zijn, denk ik, veel mensen het slachtoffer geworden van christelijke propaganda. Je vindt dat ook bij Marx en Lenin, die door hun volgelingen heel lang en heel hardnekkig voor brave mensen en smetteloze altruïsten zijn uitgegeven. Je ziet dan hoe “andersdenkenden” de leer van zo'n verlosser (“grondlegger” in marxistisch jargon) verwerpen, maar zich prijzend uitlaten over zijn morele kwaliteiten. Multatuli, die christenen niet kon luchten, gaf hoog op van Jezus. Raymond Aron, die een heel boek tegen het marxisme geschreven heeft, houdt Marx voor een dapper verdediger van de persvrijheid. Hoewel de vrij slechte inborst van Marx uit zijn geschriften en uit zijn gedragingen duidelijk naar voren komt is het ook onder zijn tegenstanders gebruik om daarover te zwijgen, en meewarig te verwijzen naar het geldgebrek en het verdriet dat hij heeft moeten dragen. Zo kom je vaak mensen tegen die afkerig zijn van het christendom, maar zelden iemand die Jezus een onuitstaanbare figuur vindt. 

Van alle godsdiensten lijkt het christendom mij de vreemdste en bontste. Het bizarre van de christelijke heilsleer wordt aardig samengevat door Schopenhauer in zijn beroemde Gespräch von Anno 33, dat er in vertaling ongeveer als volgt uitziet:
A. Heb je het laatste nieuws al gehoord?
B. Nee, wat dan? 
A. De wereld is verlost! 
B. Wat zeg je me nou! 
A. Ja, onze Lieve Heer is mens geworden en heeft zich in Jeruzalem laten kruisigen, en daardoor is de wereld verlost en de duivel gefopt. 
B. Nou, dat is leuk, zeg! 

Het vervelendst is godsdienst wanneer je via radio of televisie ongevraagd aan een stukje godsdienstoefening wordt onderworpen of aan een ochtend- of avondoverdenking van een dominee of pastoor of van een leek die ook een duit in het kerkezakje wil doen. Ik wil graag aannemen dat het aantal brave lieden onder hen even groot is als onder de rest der bevolking, maar kijkend en luisterend krijg je een indruk van grote huichelarij, een huichelarij die groeit naarmate die prediker moderner en vrijzinniger is. Je denkt onontkoombaar: die man staat ons te bedonderen. Hij beweert dingen die hij zelf niet gelooft. Nochtans beweert hij ze. Waarom? Omdat hij ervoor betaald wordt? Dat kan haast niet de enige reden zijn. Als ik God was en ik hoorde de verschrikkelijke toon die zij tegen mij durven aanslaan, dan zou ik ze met mijn bliksem neervellen, iedere zondag weer, tot zij hun mond hielden. 

Thuis leerde ik dat godsdienst ontstaan is door gebrek aan kennis der natuurwetten. Het donderde en bliksemde en de mensen wisten niet hoe dat kwam. Daarom schreven ze dat donderen en bliksemen toe aan de activiteiten van een of andere god. Vandaag de dag weten wij, door Benjamin Franklin en Chriet Titulaer, waar dat onweer vandaan komt, en daarom zijn we niet godsdienstig meer. Mensen die nog wel geloven lopen wat achter.

Die verklaring is zwak. Zelfs de primitiefste papoea kent verscheidene natuurwetten, zoals dat je nat wordt als je in de regen loopt of dat een steen verder vliegt naarmate je hem met meer kracht wegslingert. Omgekeerd is er geen natuurkundige die kan verklaren waarom een boek (om het even welk boek: de bijbel, Marx, een boek over Nieuw-Guinea), over de rand van mijn schrijftafel geschoven, op de grond dondert. Ik heb geen flauw idee wat onweer eigenlijk is. Toch ben ik niet godsdienstig. Menig gelovige weet veel meer van de natuurwetten af dan ik. 

De opvatting volgens welke de metafysische vragen die de mens zich stelt door de godsdienst niet en door de natuurwetenschappen wel correct worden beantwoord, is door de Russische schrijver Vladimir Solovjov als volgt geformuleerd: “Wij stammen af van de apen, en daarom moeten wij elkaar van harte liefhebben.”

Interessant is de bloei die de godsdienst doormaakt in landen waar de overheid de burgers opvoedt tot atheïsme. Russische intellectuelen met name zijn de laatste decennia in groten getale godsdienstig geworden. Je kunt dat verklaren door te zeggen dat er maar drie wegen zijn om aan het treurige zedelijke klimaat in Rusland te ontsnappen: drank, poëzie en godsdienst. Een andere verklaring is dat in een land met een - theoretisch en praktisch - zedeloze overheid alleen de godsdienst enig zedelijk houvast lijkt te bieden en zonder dialectisch gedraai onderscheid maakt tussen goed en kwaad. 

Toen ik nog marxist was heb ik deze impact van het christendom een keer sterk gevoeld. Dat was in 1943. De kinderarts professor Van Creveld vertelde mij het volgende verhaal: enige verzetslieden hadden het plan opgevat een SS-er te vermoorden. Ze meenden daar dwingende praktische redenen voor te hebben, maar voelden zich moreel niet helemaal zeker. Volgens de marxistische ethiek was het in 1943 in alle opzichten zeer, zeer goed om een SS-er te vermoorden. Maar die verzetslieden wisten niets van marxisme. Ze besloten een pastoor te raadplegen en legden hem de vraag voor: mag je een SS-er vermoorden? Die pastoor antwoordde: “Eigenlijk niet.” Er ging een wereld voor mij open. 

Overigens, wat dat goed en kwaad betreft: godsdienstige mensen begrijpen vaak niet dat het zeer wel mogelijk is afkeer te koesteren van het kwade, verbaasd te zijn over de raadselen van het heelal, ontroering te voelen bij bepaalde passages van Bach, en nochtans niet godsdienstig te zijn. Dat soort bekrompenheid vindt zijn fanatiekste en naïefste woordvoerder in Dostojevski, die meende dat als er geen God bestaat alles geoorloofd is, en dat een kind dat niet met het Evangelie wordt opgevoed nooit een goed mens kan worden. 

II

Bovenstaand stuk stond in NRC Handelsblad van 20 juli 1985. Nog nooit heb ik op een stuk zoveel reacties gehad. Het waren er meer dan vijftig. Twee lezers waren het min of meer met me eens. Drie anderen verdedigden mijn recht om mijn mening te uiten, ook als die voor christenen onaangenaam was. De rest was vaak kwaad en gekwetst om wat ik beweerd had en velen waren bovendien boos op de redactie die mijn stuk had geplaatst. Een paar zegden hun abonnement op. Enkele anderen dreigden daarmee. Het somberst uitte zich een lezer in Arnhem, die schreef: “De Heer K. van het Reve stelt zich op als demagoog ter bevordering van het destructieve en verschilt daarin slechts marginaal van Hitler.” 

Diezelfde man schreef me trouwens een brief waarin hij vertelde dat mijn stuk hem “trof als zijnde de ontboezeming van een eerlijk gemoed”. Er was ook iemand in Dronten die schreef dat “God zo goed is, dat Hij de doodstraf voor Karel van het Reve nog uitstelt om hem de gelegenheid te geven zich te bekeren”. De meeste brieven waren overigens vriendelijk van toon. Een lezer in Amersfoort raadde me aan het boek van Pé de Bruin Geen geloof zonder bewijs te raadplegen. Dat heb ik niet gedaan. Weer een andere lezer raadt mij dringend aan de werken “van Dionysios Aeropagita, welke laatste niet, zoals sommigen menen, vervalst zijn”, te gaan bestuderen. Ook dat heb ik niet gedaan. 

Mijn stuk behandelde verschillende aspecten van de christelijke godsdienst, maar ging, naar de titel al aangaf, vooral over de ongelooflijke slechtheid van het christelijke opperwezen. Neemt men eenmaal de almacht Gods aan - en ik weet eigenlijk niet of er christelijke kerkgenootschappen bestaan die God niet voor almachtig houden; als ze er zijn leiden die kerkgenootschappen een verborgen bestaan en merk je nooit iets van ze op radio en televisie - neem je, zeg ik, eenmaal aan dat God almachtig is en dat er zonder hem geen musje van het dak valt, dan doet hij dagelijks een groot aantal dingen, die, als een mens ze zou doen, die mens tot een schurk zouden bestempelen. 
Heine heeft dit vraagstuk prachtig verwoord in een beroemd gedicht, dat ik hier in zijn geheel citeer: 

Laβ die heil' gen Parabolen, 
Laβ die frommen Hypothesen -
Suche die verdammten Fragen
Ohne Umschweif uns zu losen.

Warum schleppt sich blutend, elend, 
Unter Kreuzlast der Gerechte, 
Während glücklich als ein Sieger 
Trabt auf hohem Roβ der Schlechte? 

Woran liegt die Schuld? Ist etwa 
Gott der Herr nicht ganz allmächtig? 
Oder treibt er selbst den Unfug? 
Ach, Das wäre niederträchtig. 

Also fragen wir beständig, 
Bis man uns mit einer Handvoll 
Erde endlich stopft die Mäuler -
Aber ist Das eine Antwort? 

Enkele lezers zijn ingegaan op dingen die ik in mijn stuk ter sprake breng. Collega Donner in Groningen schreef dat ik Johannes de Doper als mijn voorloper kan beschouwen, want toen die gevangen zat en begreep dat het slecht met hem af zou lopen stuurde hij een boodschap aan Jezus die je kunt lezen als: wanneer jij inderdaad de Messias bent, waarom laat je mij dan in dit gevang creperen? Hij kreeg op die vraag (veel omzichtiger gesteld dan ik het hier doe, zie Matth. 11,3; Lukas 7,22 en 23) een onduidelijk antwoord. 

Een lezer uit Amsterdam wijst erop, dat ik het abject vind dat het opperwezen voortdurend geprezen wil worden, terwijl ik zelf “abject genoeg” was mij “een staatsprijs voor literatuur aan te laten leunen”. Dat is niet zo'n goed argument. Als ik Nico Scheepmaker een slecht voetballer noem wordt aan die bewering geen afbreuk gedaan door het feit dat ik zelf ook een slecht voetballer ben. Bovendien valt de vergelijking tussen mij en het opperwezen der christenen in dit geval voor mij vrij gunstig uit: ik vind het leuk om af en toe geprezen te worden, maar als alle kranten iedere dag zouden openen met enige prijzende woorden aan mijn adres, dan zou ik dat walgelijk vinden. Maar de God der christenen vindt dat juist fijn. 

Enkele lezers gaan in op details. lk heb geschreven dat volgens de christenen geen musje van het dak valt of het is des Heren wil. Iemand uit Haarlem schrijft: “Dat staat er evenwel niet; er staat ‘zonder uw vader’ (Mattheüs 10 vers 30). Met andere woorden God is bij je, wat je ook overkomt.” Dat vind ik een kwestie van interpretatie. Ik begrijp ‘zonder uw vader’ als ‘zonder dat uw vader het wil’. Mijn opponent begrijpt die woorden als ‘zonder dat uw vader zich dat geweldig aantrekt’. Ik vind mijn interpretatie beter. 

Menige lezer neemt aanstoot aan mijn onhartelijke uitlatingen over Jezus. Vooral dat ik hem zieken laat genezen uit propagandistische overwegingen neemt men mij kwalijk. Waar is die propaganda dan? vraagt men. Welnu, Jezus maakt herhaaldelijk gebruik van een oude propagandatruc: hij verricht een weldaad en dringt er dan bij de betrokkenen op aan dat zij het vooral niet verder vertellen, waarna de betrokkenen, zoals te verwachten valt, het van de daken gaan schreeuwen. Had Jezus die wonderen echt geheim willen houden dan zou dat lijkt me gekund hebben. 

Er is een lezer die mij erop wijst dat op aarde het goede overheerst. Ons eindoordeel over de Almachtige zou dus eigenlijk gunstig moeten luiden. Dat is een vreemde redenering. Zo zou je Hitler een brave man moeten noemen vanwege die prachtige autobanen, zijn bestrijding van werkloosheid en communisme, en omdat hij in 1943 en 1944 verreweg de meeste Nederlanders niet heeft laten vergassen.

Twee lezers in Den Haag schrijven, dat het leerstuk van de almacht Gods geen deel uitmaakt van hun geloof. Zij plaatsen zich daarmee buiten de discussie. Datzelfde geldt voor twee andere briefschrijvers. 
De een, emeritus predikant in Hummelo en de enige theoloog die op mijn stuk gereageerd heeft, schrijft: “Geloven ligt op een ander vlak dan redeneren. Verstandsaanbidders en logicafanaten zullen kinderlijker en dichterlijker moeten worden. Dan komen ze in aanmerking om over geloof te schrijven.” 
De ander, een inwoner van Gouda, keert zich eveneens tegen een redelijke benadering van de godsdienst: “Als men echter op deze wijze het verschijnsel religie benadert, blijft er altijd een zekere afstand tussen de denker en het verschijnsel dat hij analyseert. Er heeft geen identificatie plaatsgehad. Hij behandelt het niet van binnenuit, waardoor belangrijke aspecten buiten het gezichtsveld kunnen blijven. De rationele benadering van het begrip religie is dus niet de beste. Deze methode waarborgt geen juiste kijk op God.” Die “identificatie”-theorie kom je ook wel buiten de theologie tegen. Je moet je met het onderwerp identificeren. Een goed boek over tuberculose kan alleen door een teringlijder geschreven worden, en wil je echt iets van het nationaal-socialisme begrijpen, dan moetje lid worden van de NSB. 

Blijven over de lezers die de schuld voor het kwaad bij de mens leggen, die vinden, zoals een briefschrijver uit Houten het uitdrukt, “dat de verantwoordelijkheid voor de gruwelijkheden op deze aarde bij de mens zelf ligt en dat wij zelf de handen uit de mouwen moeten steken om hier verandering in te brengen”. Je vraagt je af wat zo iemand zich daarbij voorstelt. Hoe moet ik verandering brengen in laat ons zeggen de gruwelijkheden van de Tweede Wereldoorlog? Door de weduwe Rost van Tonningen haar pensioen af te nemen?

Een lezer uit Obdam schrijft: “Is het redelijk om in een slechte God te geloven? Van het Reve schildert Hem af als een kwaadaardige imbeciel. Naar het voorbeeld van Multatuli (‘Twee personen geraakten te water. Door Gods goedheid werd de een gered. De ander verdronk. Door Gods kwaadheid?’) argumenteert hij dat een God die almachtig is en desondanks het lijden toelaat, wel van een ongelofelijke slechtheid moet zijn. Dit punt raakt mijns inziens precies de kern. Kan de christelijke stelling dat God liefde is gehandhaafd worden in het licht van de aangevoerde feiten? Hier kan een benadering die in de middelbare-school-wiskunde bekend staat als ‘bewijs uit het ongerijmde’ ons helpen.”
“Stel dat God ons zo geschapen had dat wij geen redelijke beslissingen hadden kunnen nemen, maar alleen - nolens volens - Zijn wil hadden kunnen doen. Precies zo, als een computer de wil van een programmeur uitvoert, zonder mankeren. Zouden wij God dan liefhebben? Die vraag is - ook voor God - ongerijmd. Om zeker te zijn van onze liefde, moet God ons een volkomen vrije keuze vóór of tegen Hem laten. Als God liefde is, en naar wederliefde zoekt, loopt Hij de kans afgewezen te worden. Gods aanbod van liefde sluit dus, omwille van haar volstrekt vrijwillig karakter, het risico van kwaad, boosheid, slechtheid en lijden in: wij mensen hebben dat geheel in eigen hand. Zo bezien is het lijden zelfs hoogst functioneel.”
 
Dat ‘geheel in eigen hand’ begrijp ik niet. Had de wereldbevolking in 1755 de bekende aardbeving van Lissabon ‘geheel in eigen hand’? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Dat die aardbeving door menselijke slechtheid veroorzaakt is? Dat God de Portugezen die aardbeving gezonden heeft als aansporing om Hem lief te hebben? De hele redenering werpt trouwens een uiterst bedenkelijk licht op de god der christenen. Hij laat het kwaad toe omdat hij zo graag door ons bemind wil worden. Ik wil ook graag aardig gevonden worden, maar ik zou nooit tot zulke middelen mijn toevlucht nemen. 
 
Die blindheid van de christenen voor de slechtheid van hun eigen god trof mij zeer sterk toen ik een keer tijdens een televisie-uitzending (het was op 29 november 1985, het programma heette meen ik ‘Daar sta ik voor’ en was gewijd aan de essayist Cornelis Verhoeven) in debat raakte met een dominee. Een vrijzinnige dominee. Hij was lid van de Partij van de Arbeid. Ik herinnerde hem aan het geval van Abraham die van God opdracht krijgt zijn eigen zoon de keel af te snijden. Is dat nu geen schurkenstreek van die God, vroeg ik. Nee, zei die dominee, ‘want het hoefde niet!’ Op het laatste moment hield God - zoals je op allerlei schilderijen kunt zien - de hand van Abraham tegen. Die zoon bleef in leven. Ik kon die dominee niet aan zijn verstand brengen, dat het niet door laten gaan van die moord het gedrag van God geenszins beter maakt. Als een mens zo iets zou doen, zou men die mens dan niet voor een schurk houden? Op die vraag kon ik van die christen geen bevestigend antwoord krijgen. 

Nee, dan zijn de oude Romeinen mij liever. Als zo'n Romein, zo leerde ik op het gymnasium, een zeereis ondernam, dan kreeg hij te maken met de god Neptunus, die over de zeeën heerste. Die Neptunus kon hem een behouden vaart bezorgen of een schipbreuk. Daarom bracht zo'n Romein, om Neptunus gunstig te stemmen, voor hij op reis ging een offer aan die god. Maar het kwam niet bij hem op die god goede zedelijke eigenschappen toe te dichten.

 

Karel van het Reve, 1987

 

(top)

 


Update: 18 January 2010   -   Comments: info@voxclamantis.nl   -   Copyright 2007-2013: voxclamantis.nl